Bij het treffen van een minnelijke regeling hanteert het college de volgende richtlijnen:
De afloscapaciteit wordt vastgesteld op het volledige bedrag, dat resteert na toepassing van de beslagvrije voet, als bedoeld in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
Voor belanghebbenden met een inkomen boven 100% van het sociaal minimum wordt de afloscapaciteit vastgesteld op het in lid 1 bedoelde bedrag, verhoogd met 50% van het inkomen boven 100% van het sociaal minimum tenzij de vordering is ontstaan door het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid Participatiewet, artikel 30 sub c, tweede en derde lid van de Wet SUWI, artikel 13, eerste en tweede lid, van de IOAW of artikel 13, eerste en tweede lid, van de IOAZ.
Indien de vordering niet het gevolg is van het niet (geheel) nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid Participatiewet, artikel 30 sub c, tweede en derde lid van de Wet SUWI, artikel 13, eerste en tweede lid, van de IOAW of artikel 13, eerste en tweede lid, van de IOAZ en de uitkering is beëindigd in verband met uitstroom naar werk wordt, tot één jaar na beeïndiging van de uitkering, de afloscapaciteit vastgesteld alsof het inkomen niet meer bedraagt dan 100% van het sociaal minimum..
Hoofdstuk
Artikel 16