Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
kampeermiddel: tent, tentwagen, kampeerauto, toercaravan dan
wel enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen
voertuig of een gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk
zijnde waarvoor een omgevingsvergunning voor een
bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder
a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist; een en
ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of
ten dele blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden
gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
kampeerterrein: terrein of plaats geheel of gedeeltelijk
ingericht, en volgens die inrichting bestemd, omdaarop
gelegenheid te geven tot het plaatsten of geplaatst houden
van kampeermiddelen;
vaste standplaats: een terrein of terreingedeelte dat deel
uitmaakt van een kampeerterrein en datter beschikking wordt
gesteld voor de plaatsing van eenzelfde kampeermiddel of
stacaravan gedurende een seizoen of een jaar;
losse standplaats: een terrein of terreingedeelte dat deel
uitmaakt van een kampeerterrein en dat ter beschikking wordt
gesteld voor de volgtijdige plaatsing van verschillende
kampeermiddelen;
seizoen 1 januari tot en met 31 december: belastingtijdvak
waarin het belastbare feit zich voordoet;
vakantieonderkomens: woningen en andere verblijven waaronder
hotels, motels, pensions, bungalows, en
appartementen(hotels), jeugdherbergen, vakantieboerderijen
en dergelijke ruimten, niet zijnde kampeermiddelen;
woning: een huis, een naar aard en inrichting vergelijkbaar
ander onderkomen of een deel van een huis of een
vergelijkbaar onderkomen;
particulier: een natuurlijk persoon die buiten de
uitoefening van een bedrijf of beroep gelegenheid biedt tot
verblijf;
particulier verhuurde woning: een woning die door een
particulier ter beschikking wordt gesteld voor het houden
van verblijf met overnachting tegen een vergoeding in welke
vorm dan ook.
Voor vakantieonderkomens, woningen en voor kampeermiddelen op vaste
of losse standplaatsen kan het aantal overnachtingen op een bij de
aangifte gedaan verzoek van de belastingplichtige forfaitair worden
vastgesteld.
Bij de forfaitaire berekening wordt voor vakantieonderkomens en
woningen per onderkomen of woning:
vakantie-onderkomens en niet-beroepsmatig verhuurde ruimten
bepaald op het aantal slaapplaatsen;
mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste of
standplaatsen bepaald op:
2 personen indien het aantal slaapplaatsen drie of
minder bedraagt;
4 personen indien het aantal slaapplaatsen meer dan
drie betreft;
mobiele kampeeronderkomens op losse standplaatsen bepaald op
de som van het aantal kampeeronderkomens bestemd voor
verblijf van maximaal drie personen, vermenigvuldigd met 2
en het aantal kampeeronderkomens bestemd voor verblijf van
meer dan drie personen, vermenigvuldigd met 3.
Het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen is
overnacht wordt:
ingeval verblijf wordt gehouden in vakantie-onderkomens,
niet-beroepsmatig verhuurde ruimten dan wel op vaste
standplaatsen, welke geschikt zijn voor gebruik of slechts
gebruikt mogen worden gedurende een periode van:
ten hoogste zes maanden bepaald op 60;
meer dan zes maanden bepaald op 100;
ingeval verblijf wordt gehouden in mobiele
kampeeronderkomens op niet-vaste standplaatsen bepaald op
365.
Het aantal mobiele kampeeronderkomens als bedoeld in het derde lid,
letter c, wordt vastgesteld op het gemiddelde van een zestal
tellingen gedurende het belastingjaar, waarbij iedere telling valt
binnen een afzonderlijke periode van twee maanden.
Artikel 5
Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van een toeristenbelasting 2013