Gesprekken over de inzetbaarheid van de medewerker binnen de gemeentelijke
organisatie worden gevoerd binnen het kader van de HRM cyclus.
Leidinggevende en medewerker maken jaarlijks concrete afspraken over
ontwikkeling en opleiding gericht op inzetbaarheid in de huidige
functie (effectiviteit) of over doorstroom naar een andere passende
functie (mobiliteit). De leidinggevende houdt bij het maken van de
afspraken over ontwikkeling, opleiding of mobiliteit, voor zover
relevant, rekening met de persoonlijke situatie van de medewerker
(leeftijd, gezondheid, gezinssituatie enz.).
De hierboven bedoelde afspraken worden vervat in een
loopbaanplan.
De leidinggevende faciliteert de medewerker in het realiseren van de
afspraken over opleiding en ontwikkeling met inachtneming van het
gestelde in Hoofdstuk 17 CAR en stelt daartoe een persoonlijk
ontwikkelplan op met een minimum duur van 12 maanden en een maximum
duur van 36 maanden.