1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.
2. In deze verordening wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet werk en bijstand;
b. norm: de toepasselijke norm bedoeld in artikel 21 WWB;
c. bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, aanhef en onder c van de Wet werk en bijstand;
d. gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in artikel 21 onder c van de wet;
e. verzorgingsbehoevende: de persoon die:
I. volgens een AWBZ-indicatie is aangewezen op tien of meer uren zorg per week;
II. geen persoonsgebonden budget ontvangt of geen zorg door een zorgaanbieder zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ontvangt, voor ten minste tien van de uren zorg per week waarop hij is aangewezen; en
III. zorg ontvangt van de verzorgende voor ten minste tien van de uren zorg per week waarop hij is aangewezen.
f. verzorgende: de persoon die de zorg verleent aan de verzorgingsbehoevende;
g. schoolverlater: de persoon van 21 jaar en ouder die algemene bijstand aanvraagt indien hij in de 6 maanden voorafgaand aan de toekenning van de algemene bijstand recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Hoofdstuk 1
Artikel 1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2013