Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Verminderde verwijtbaarheid

Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete WWB, Bbz 2004, IOAW, IOAZ 2013

1.  De mate waarin de schending van de inlichtingenplicht de belanghebbende kan worden  verweten, wordt beoordeeld naar de omstandigheden waarin belanghebbende verkeerde  toen hij de inlichtingenplicht had moeten nakomen. 2.  Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan  worden verweten, leiden, zoals opgenomen in artikel 2a van het Boetebesluit  socialezekerheidswetten, de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid: a. de belanghebbende verkeerde in onvoorziene en ongewenste     omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem   weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de    inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend    waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat inlichtingen niet tijdig of   onvolledig zijn verstrekt; b.  de belanghebbende verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem   de overtreding niet volledig valt aan te rekenen; c.  de belanghebbende heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of    onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet   onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen   verstrekt voordat de overtreding door het college is geconstateerd, tenzij de   belanghebbende deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op   de naleving van de inlichtingenverplichting.

Rechtspraak bij dit artikel