Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4.

Artikel 15.

Slotbepaling

Onderdeel van Maatregelenverordening gemeente Zwartewaterland 2013

Deze regeling wordt aangehaald als de Maatregelverordening De maatregelverordening, in werking getreden op 1-10-2009 wordt bij de inwerkingtreding van deze regeling ingetrokken. Dit besluit treedt na publicatie met terugwerkende kracht op 1-1-2013 in werking. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zwartewaterland van 16 mei 2013. de griffier, de voorzitter, A.J. Renkema ing. E.J. Bilder ALGEMENE TOELICHTING Per 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden. De WWB draagt het college op om de bijstand te verlagen indien de uitkeringsgerechtigde onvoldoende besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Het gaat hier niet om een betrekkelijk vrijblijvende bevoegdheid, maar om een verplichting voor de gemeente. De WWB draagt de gemeenteraad verder op om in een verordening vast te stellen op welke wijze de uitkering in voorkomende gevallen wordt verlaagd. De basis voor de verordening is neergelegd in de artikel 8, eerste lid onder b en artikel 18 WWB. Met de Maatregelenverordening WWB wordt aan de wettelijke opdracht voldaan. De Wet werken en bijstand kent slechts een soort actie: het verlagen van een uitkering. In deze Maatregelverordening is vastgelegd hoe de gemeente Zwartewaterland omgaat met de bevoegdheden binnen de wetgeving. De term “maatregel” Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de terminologie van de WWB aangeduid als “het afstemmen van de uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt”. Met de begrip “afstemmen” wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt, dat rechten en plichten twee kanten van dezelfde medaille vormen. In deze verordening is er voor gekozen om het verlagen van de uitkering vanwege het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aan te duiden als het opleggen van een maatregel. Met deze terminologie wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen (per 1 juli 1997 voor de ABW van toepassing geworden) gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende karakter van de maatregel benadrukt. Het opleggen van een maatregel is géén punitieve sanctie, waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat, maar een reparatoire sanctie, gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt. Om te onderstrepen dat de verordening de juridische grondslag vormt voor het college om maatregelen op te leggen wanneer een uitkeringsgerechtigde niet aan een verplichting voldoet, is gekozen voor de naam ”maatregelenverordening”. Verlagen is maatwerk Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm van maatwerk, waarmee het college is belast (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 27). In elk individueel geval moet worden beoordeeld welke maatregel wordt opgelegd, waarbij rekening wordt gehouden met de ernst van de gedraging, de mate waarin de uitkeringsgerechtigde het gedrag kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Het uitgangspunt wordt gevormd door de regels die ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld. In de Maatregelverordening zijn de gedragingen die een schending van de verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter niet absoluut. Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden kan aanleiding worden gevonden om van de standaardmaatregel af te wijken. Als het college afwijkt van de standaardmaatregel, zal dat moeten worden gemotiveerd, met name als een zwaardere maatregel wordt opgelegd. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan kan het college van verlaging af te zie (artikel 18, tweede lid WWB) Hierbij kan worden gedacht aan situaties waarbij de uitkeringsgerechtigde door overmacht niet in staat is geweest één of meer afspraken volledig na te komen. Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als minimuminkomen is tevens bepaald dat binnen drie maanden heroverweging van de verlaging plaatsvindt. Dat volgt uit artikel 18 lid 3 WWB. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging ook afgestemd blijft op de omstandigheden van betrokkene en deze niet onaanvaardbaar lang over een te laag inkomen blijft beschikken. Een verlaging wordt gegeven om een gedragsverandering te weeg te brengen. Daarom is er vaak ook in de periode van verlagingen contact om te kijken of de gedragsverandering plaatsvindt. Verlaging of intrekking inkomensvoorziening. Aan het plan van aanpak en de inkomensvoorziening zijn verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een plan van aanpak ( art 44a WWB) en evt. inkomensvoorziening staat de verplichting van belanghebbende om mee te werken aan de totstandkoming daarvan, bijvoorbeeld door mee te werken aan een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden. Ook dient belanghebbende naar beste vermogen mee te werken aan het plan van aanpak zodra dat vastgesteld is. Daarnaast geldt een inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht. Komt belanghebbende een aan het plan van aanpak verbonden verplichting verwijtbaar niet na, dan staan de gemeente instrumenten verlaging of intrekking ter beschikking. ARTIKELsGEWIJZE TOELICHTING

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel