1.Tenzij een andere opdracht is gegeven, behoort een dienstreis via de kortste route te worden gemaakt tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.
2.De plaats van tewerkstelling wordt als begin- en eindpunt aangemerkt. Het aantal kilometers wordt naar boven afgerond tot het naast hogere gehele getal.
3.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan de woning van de medewerker of een andere plaats als beginpunt respectievelijk eindpunt van de dienstreis worden aangemerkt, tenzij op de heenreis of de terugreis de plaats van tewerkstelling wordt bezocht.