**1..** Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, kan een afstemming worden opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedragingen eerder of langer recht heeft op bijstand.
**2..** In de volgende specifieke gevallen wordt de verlaging als volgt vastgesteld:
Indien een belanghebbende zijn vermogen onverantwoord heeft ingeteerd, wordt de verlaging vastgesteld op 10% van de bijstandsnorm en afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand, met dien verstande dat de verlaging maximaal 36 maanden wordt toegepast.
Indien een belanghebbenden geen of een te late aanvraag heeft gedaan voor een voorliggende voorziening, wordt de verlaging vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.
Indien een belanghebbende door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden, wordt de verlaging vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.
Hoofdstuk 3 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging
Artikel 8.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB 2013, versie 2