Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikelen 19, 20 en 21 eerste lid, een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en wethouders een aflopende toelage toegekend, indien:
die blijvende verlaging ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelage als bedoeld in artikelen 19, 20 en 21 eerste lid, en
de ambtenaar de toelage, als bedoeld in artikelen 19, 20 en 21 eerste lid, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
Burgemeester en wethouders stellen voor de uitvoering van dit artikel nadere regels vast.