Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een
vergoeding die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 14
van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit
bedrag jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties wordt herzien.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene
die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de
werkzaamheden als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet
ontvangt.
Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
commissie
als raadslid of wethouder;
uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van
een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van
een functie bij een instelling die grotendeels van
overheidswege wordt gesubsidieerd;
als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van
de commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk
belang dient.
De raad en/of het college kunnen, voor de door hen ingestelde
commissie, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, een
hogere vergoeding vaststellen. Zulks tot ten hoogste een per
situatie vast te stellen percentage van het in het eerste lid
bedoelde bedrag van de vergoeding, ten aanzien van
een lid van een commissie die op grond van zijn
bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied
van de commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
aangetrokken, en
een lid van een commissie ten aanzien waarvan de
vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke
verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de
omvang van de door hem te verrichten arbeid.
Hoofdstuk IV
Artikel 21
Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen
Onderdeel van Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2013