De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt afgewezen indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing, terwijl er in de verlaten woonruimte geen problemen ten gevolg van ziekte of gebrek met het normale gebruik van de woning werden ondervonden en er geen belangrijke reden tot verhuizing aanwezig was;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan genoemd in artikel 22;
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat deze op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie algemeen gebruikelijk is, of indien op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;
de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg;
de woonvoorziening een algemene woningverbetering of regulier dan wel achterstallig onderhoud betreft;
bij een financiële tegemoetkoming niet is voorzien in de financiering van het niet door het college te vergoeden deel van de kosten van de voorziening;
voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw.
Hoofdstuk 5.
Artikel 23.
Beperkingen in de toekenning van woonvoorzieningen.
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Ede 2010