Het college kan een uitzondering op de scholingsplicht maken, wanneer een jongere geobjectiveerd aantoont dat hij geen regulier onderwijs kan volgen of wanneer dit in redelijkheid (nog) niet van hem gevergd kan worden. Uitzondering is mogelijk, indien de jongere naar het oordeel van het college:
een volgens een deskundige vastgesteld cognitief probleem heeft;
een volgens een deskundige vastgesteld medisch en/of psychisch probleem heeft;
een volgens een deskundige vastgesteld sociaal probleem heeft;
te maken heeft met andere persoonlijke omstandigheden, waardoor het verplicht volgen van onderwijs niet gevergd kan worden.
Een uitzondering op de scholingsplicht wordt in ieder geval gemaakt als de jongere:
een schuldregelingstraject volgt;
(nog) geen aanspraak kan maken op studiefinanciering, bijvoorbeeld doordat de jongere moet wachten tot het eerstvolgende instroommoment;
een startkwalificatie heeft en zijn kansen op de arbeidsmarkt door het volgen van verdere opleiding naar verwachting niet meer toenemen;
verblijft in een op verpleging of verzorging gerichte instelling;
inburgeraar is en (nog) niet beschikt over het taalniveau A2.
Op grond van artikel 41, vijfde lid van de Participatiewet, verstrekt de jongere documenten waaruit moet blijken dat er vanwege onvoldoende capaciteiten en/of belemmeringen geen scholingsmogelijkheden zijn binnen het uit 's rijks kas bekostigd onderwijs.
Hoofdstuk
Artikel 3
Uitzonderingsgronden op de scholingsplicht
Onderdeel van Beleidsregels scholingsplicht jongeren Participatiewet Stadskanaal 2015