Naar hoofdinhoud
1. De instelling mag tot vorming van voorzieningen ten laste van de jaarlijkse subsidie overgaan als deze worden gevormd ten behoeve van: a. verplichtingen en/of risico’s waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, maar redelijkerwijs wel zijn in te schatten; b. bestaande risico’s als gevolg van te verwachten verplichtingen of verliezen, waarvan de omvang redelijkerwijs te schatten is; c. een gelijkmatige verdeling van bepaalde lasten over een aantal jaren. 2. Wanneer een instelling tot vorming van een voorziening wil overgaan wordt dit schriftelijk ter goedkeuring voorgelegd aan het college. Bij voorkeur gebeurt dit tegelijkertijd met de subsidieaanvraag voor het komende subsidiejaar. Wanneer de in het eerste lid genoemde risico’s/verplichtingen in de loop van het subsidiejaar ontstaan, dan verzoekt de instelling zo snel mogelijk schriftelijk aan het college om met de vorming van de voorzieningen in te stemmen. 3. Het college kan aan de vorming van een egalisatiefonds het voorschrift verbinden, dat vooraf een meerjarenplan wordt toegezonden. 4. De met instemming van het college gevormde voorzieningen mogen slechts worden aangewend voor het doel waarvoor zij gevormd zijn.

Rechtspraak bij dit artikel