Een lid van commissie ontvangt voor de deelname aan de vergaderingen
van een commissie en haar subcommissies een vergoeding die gelijk is
aan het bedrag, vermeld in artikel 14 van het Rechtspositiebesluit
raads- en commissieleden, zoals dit bedrag jaarlijks door de
minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt
herzien.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
als bedoeld in artikel 94 van de Gemeentewet ontvangt.
Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
commissie
a. als raadslid of wethouder;
b. uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij
een instelling die grotendeels van overheidswege wordt
gesubsidieerd;
c. als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie
tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.
De raad, of indien de commissie is ingesteld door het college, het
college, kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
hogere vergoeding vaststellen, ten aanzien van:
a. een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor
deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken,en
b. een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet
geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de
zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten
arbeid
Hoofdstuk IV
Artikel 24
Vergoeding voor deelname aan vergaderingen
Onderdeel van Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente Nuenen c.a. 2010