Het college kan het recht op een voorziening, genomen op grond
van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken voor
zover:
niet of niet langer voldaan is aan de voorwaarden in deze
verordening;
op grond van door aanvrager verstrekte gegevens op het moment
van besluitvorming een individuele voorziening verstrekt is en
nadien gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat een
andere beslissing zou zijn genomen als de juiste gegevens bekend
waren geweest;
blijkt dat gedurende een periode van meer dan zes maanden geen
gebruik is gemaakt van de verstrekte voorziening;
blijkt dat het persoonsgebonden budget of de financiële
tegemoetkoming binnen zes maanden na uitbetaling niet of niet
geheel voor de geïndiceerde voorziening en de daarmee
samenhangende kosten is gebruikt;
naar oordeel van het college, met uitzondering van tegenbewijs,
sprake is van onveilig en/of oneigenlijk gebruik of zodanig
onverantwoord gedrag van de aanvrager dat voortzetting van de
voorziening in redelijkheid niet verlangd kan worden.