Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.

Regels rond verstrekking en verantwoording

Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2013

1.. Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. Dit kan bij voorkeur tegelijk met de aanvraag, indien op dat moment al duidelijk is dat de aanvrager dit wenst. 2.. Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien op grond van aanwijzingen duidelijk is geworden dat het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager een persoonsgebonden budget niet besteedt aan datgene waarvoor het gegeven is. Als blijkt dat de aanvrager problemen zal krijgen met het omgaan met een persoonsgebonden budget, dan wordt dit als een contra-indicatie opgevat. 3.. Een persoonsgebonden budget wordt niet verstrekt aan de persoon die naar het oordeel van het college niet in staat is het budget op een verantwoorde wijze te beheren. Een persoonsgebonden budget wordt in ieder geval niet verstrekt aan de persoon: die verkeert in staat van faillissement als bedoeld in de Faillissementswet; die twee of meer schulden heeft waarvoor geen betalingsregeling is getroffen; die wegens schuldenproblematiek wordt begeleid door Maatschappelijk Werk, de Kredietbank of een hiermee vergelijkbare dienstverlenende instantie; ten aanzien waarvan door de rechter een schuldsanering is vastgesteld op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen; die onder curatele is gesteld, tenzij de curator zich bereid verklaart het persoonsgebonden budget te beheren; wiens goederen onder bewind zijn gesteld, tenzij de bewindvoerder zich bereid verklaart het persoonsgebonden budget te beheren; ten aanzien van wie misbruik of oneigenlijk gebruik van het persoonsgebonden budget is vastgesteld; die verslaafd is in combinatie met financiële problemen; die naar het oordeel van het college, gelet op in de zijn / haar persoon gelegen factoren, naar verwachting niet in staat zal zijn het budget op een verantwoorde wijze te beheren. 4.. De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan het college vindt steekproefsgewijs plaats, waarbij de steekproef minimaal een omvang heeft van 5% van de verstrekte persoonsgebonden budgetten, na afloop van de verstrekking dan wel na afloop van enig kalenderjaar. Het college zal de besteding van het persoonsgebonden budget door de budgethouder steekproefsgewijs controleren. 5.. Bij bestedingen uit het persoonsgebonden budget moeten, voor minimaal 75% van de uitgaven, de volgende bewijsstukken worden bewaard tot minimaal het einde van het jaar volgend op het jaar van besteding: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening. 6.. Bij overlijden van de cliënt, wordt per direct, het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden stopgezet. Het reeds uitbetaalde persoonsgebonden budget over de periode (4 weken) waarin iemand is overleden wordt niet teruggevorderd. 7.. De aanvrager moet een aparte bankrekening gebruiken / openen voor het persoonsgebonden budget en een zorgovereenkomst overleggen. De zorgovereenkomst kan op de website van SVB worden gedownload. 8.. Voor een periode korter dan 3 maanden wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt voor Hulp bij het huishouden.

Rechtspraak bij dit artikel