**1..** Voor de financiële tegemoetkoming voor vervoersvoorzieningen geldt
het volgende:
voor het gebruik van een eigen auto, als de aanvrager is
aangewezen op het gebruik van de eigen auto, geldt een
norrmbedrag van € 1.178,78 op jaarbasis;
voor het gebruik van een bruikleenauto geldt een normbedrag
van € 782,52 op jaarbasis;
voor het gebruik van een taxi, als de aanvrager geen gebruik
kan maken van het collectief vervoer en niet
rolstoelgebonden is, geldt een taxitegoed van € 3.101,26 op
declaratiebasis of op verzoek van de aanvrager een
financiële bijdrage van € 733,13 op jaarbasis;
voor het gebruik van een rolstoeltaxi, als de aanvrager geen
gebruik kan maken van het collectief vervoer en
rolstoelgebonden is, geldt een taxitegoed van € 3.101,26 op
declaratiebasis of een maximale financiële bijdrage van €
1.102,91 op jaarbasis;
voor een ander verplaatsingsmiddel geldt een maximale
financiële tegemoetkoming van € 428,73 op jaarbasis en bij
de indicatie rolstoeltaxi een maximale financiële bijdrage
van € 685,81 op jaarbasis.
**2..** De hoogte van een financiële tegemoetkoming voor het aanpassen van
een eigen auto wordt bepaald aan de hand van de voor vergoeding in
aanmerking komende kosten. Deze vergoeding bedraagt maximaal de
kosten van de goedkoopst aanpasbare auto.
**3..** Als er sprake is van aanpassingskosten van de eigen auto geldt als
afschrijvingstermijn van de voorziening ten minste zeven jaar. Met
uitzondering van overzetbare voorzieningen wordt deze voorziening
daarom slechts toegekend als de aan te passen auto niet ouder is dan
drie jaar. De kosten van de noodzakelijke aanpassingen worden
gebaseerd op de goedkoopst aanpasbare auto. De opties met betrekking
tot de uitrusting van de auto, zoals automatische transmissie,
stuurbekrachtiging en airco, zijn van vergoeding uitgesloten.
**4..** Collectief vervoer bestaat uit een regiotaxipas waarmee tegen
gereduceerd tarief maximal 2000 km per jaar kan worden gereisd.
**5..** Voor de sociaal begeleider van de gebruiker van het collectief
vervoer gelden de volgende voorwaarden:
de sociaal begeleider mag geen Wmo-geïndiceerde zijn;
de sociaal begeleider dient zelfstandig te kunnen reizen en
niet aan een rolstoel of scootmobiel gebonden te zijn;
er mag maximaal één sociaal begeleider per (enkele) rit
meegaan;
de sociaal begeleider reist vanaf hetzelfde opstapadres naar
dezelfde bestemming;
er mogen maximaal 20 enkele ritten per jaar worden
gemaakt;
de rit van de sociaal begeleider wordt gelijktijdig geboekt
met dezelfde reservering als de rit van de
Wmo-pashouder.
**6..** Medische begeleiding in het collectief vervoer is mogelijk als er
sprake is van medische technische handelingen bij gedragsproblemen
en wanneer eenvoudige algemeen dagelijkse levensverrichtingen
tijdens de rit nodig zijn.
Hoofdstuk III
Artikel 8
Financiële tegemoetkoming vervoersvoorzieningen
Onderdeel van Regeling maatschappelijke ondersteuning 2013