In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. schip/vaartuig: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen
wordt gebruikt dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water
van personen of goederen of voor het dragen of vervoeren van al dan niet
met het drijvende lichaam één geheel uitmakende voorwerpen, daaronder
mede begrepen een watervliegtuig, drijvende werktuigen, zoals kranen,
baggermolens, pontons of materieel van soortgelijke aard alsmede
woonschepen, woonarken, glijboten en ponten;
b. havenmeester: degene die in het kader van deze verordening als
zodanig door Burgemeester en wethouders is aangesteld alsmede diens
plaatsvervanger(s);
c. schipper: degene die, rechtens dan wel feitelijk, aan boord van een
vaartuig het gezag heeft;
d. pleziervaartuig: een vaartuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt
gebruikt voor niet- bedrijfsmatige d.w.z. sportieve of recreatieve
doeleinden;
e. woonschip: een schip dat uitsluitend of hoofdzakelijk als woning
wordt gebruikt of tot woning is bestemd;
f. bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te
water (niet zijnde een binnenschip), hoofdzakelijk gebruikt of bestemd
voor de uitoefening van enig bedrijf of beroep, voor het bedrijfsmatig
vervoer van minder dan twaalf personen, de bemanning daaronder niet
begrepen, dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele
activiteiten;
g. veerboot: een vaartuig die een veerdienst onderhoudt via een
reguliere dienstregeling bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf
personen, de bemanning daaronder niet begrepen, naar een andere
locatie;
h. zeeschip: een bedrijfsvaartuig ingericht voor het vervoer van
goederen, vloeistoffen en/of (vloeibare) gassen en geschikt is voor het
vervoer over zee;
i. binnenschip: een bedrijfsvaartuig ingericht voor vervoer van
goederen, vloeistoffen en/of (vloeibare) gassen over binnenwater;
j. slops: mengsel van olierestanten en water;
k. BPR: het Binnenvaartpolitiereglement, gebaseerd op de
Scheepvaartverkeerswet.
l. opleggen van een vaartuig: het voor een langere periode dan twee
maanden uit de vaart nemen van een vaartuig;
m. rechthebbende: degene die over enige zaak of dier de beschikking
heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht of daarover enige
feitelijke macht uitoefent;