Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Havenverordening Urk 2009

In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: a. schip/vaartuig: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water van personen of goederen of voor het dragen of vervoeren van al dan niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende voorwerpen, daaronder mede begrepen een watervliegtuig, drijvende werktuigen, zoals kranen, baggermolens, pontons of materieel van soortgelijke aard alsmede woonschepen, woonarken, glijboten en ponten; b. havenmeester: degene die in het kader van deze verordening als zodanig door Burgemeester en wethouders is aangesteld alsmede diens plaatsvervanger(s); c. schipper: degene die, rechtens dan wel feitelijk, aan boord van een vaartuig het gezag heeft; d. pleziervaartuig: een vaartuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor niet- bedrijfsmatige d.w.z. sportieve of recreatieve doeleinden; e. woonschip: een schip dat uitsluitend of hoofdzakelijk als woning wordt gebruikt of tot woning is bestemd; f. bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water (niet zijnde een binnenschip), hoofdzakelijk gebruikt of bestemd voor de uitoefening van enig bedrijf of beroep, voor het bedrijfsmatig vervoer van minder dan twaalf personen, de bemanning daaronder niet begrepen, dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten; g. veerboot: een vaartuig die een veerdienst onderhoudt via een reguliere dienstregeling bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf personen, de bemanning daaronder niet begrepen, naar een andere locatie; h. zeeschip: een bedrijfsvaartuig ingericht voor het vervoer van goederen, vloeistoffen en/of (vloeibare) gassen en geschikt is voor het vervoer over zee; i. binnenschip: een bedrijfsvaartuig ingericht voor vervoer van goederen, vloeistoffen en/of (vloeibare) gassen over binnenwater; j. slops: mengsel van olierestanten en water; k. BPR: het Binnenvaartpolitiereglement, gebaseerd op de Scheepvaartverkeerswet. l. opleggen van een vaartuig: het voor een langere periode dan twee maanden uit de vaart nemen van een vaartuig; m. rechthebbende: degene die over enige zaak of dier de beschikking heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht of daarover enige feitelijke macht uitoefent;

Rechtspraak bij dit artikel