Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 15:1:10

Plicht tot aanvaarden andere betrekking (T)

Onderdeel van Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Putten Toelichting

1.Wanneer is er sprake van ‘een andere betrekking’ in de zin van het eerste lid? Artikel 1:1 van de CAR definieert betrekking als ‘het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten’. De Centrale Raad van Beroep verstaat onder betrekking: ‘Het samenstel van werkzaamheden waarmee de ambtenaar is belast en dat hij feitelijk verricht en hetwelk zich van enig ander samenstel van werkzaamheden in voldoende mate als kenbare eenheid onderscheidt hetzij door de aard van de werkzaamheden hetzij door enige andere omstandigheid zoals de plaats in de organisatie of de plek waar het werk wordt verricht’. Voor de toepassing van artikel 15:1:10 prevaleert evenwel de definitie van artikel 1:1 van de CAR als zijnde het toepasselijke algemeen verbindende voorschrift. Wanneer er in het geheel van werkzaamheden niets verandert, doet het er voor de vaststelling of er sprake is van een andere betrekking niet toe of er verandering komt in de omstandigheden waaronder het werk moet worden verricht of dat het werk op een andere plaats moet worden verricht. Uiteraard zal - zoals altijd - een besluit tot verandering in de omstandigheden of van de plaats van het werk met de nodige zorgvuldigheid moeten worden genomen. De definitie van de Centrale Raad van Beroep is - ondanks artikel 1:1 van de CAR - toch wel van belang. Immers, niet elke geringe verandering in de werkzaamheden mag leiden tot de conclusie dat er sprake is van een andere betrekking. Van een andere betrekking kan eerst worden gesproken als deze zich ‘in voldoende mate als kenbare eenheid onderscheidt’ van de oude betrekking. Een chef moet bevoegd worden geacht bepaalde wijzigingen in de werkzaamheden van zijn medewerkers aan te brengen. Een betrekking kan zo heel geleidelijk van karakter veranderen zonder dat nu precies valt aan te geven wanneer die verandering tot stand is gekomen. Pas wanneer er sprake is van een - bij wijze van spreken van de ene dag op de andere optredende - ingrijpende wijziging zodat er een ander samenstel van werkzaamheden ontstaat dat zich in voldoende mate onderscheidt van het samenstel van werkzaamheden dat de ambtenaar tot dan toe verrichtte, is er een andere betrekking in de zin van artikel 15:1:10. Wanneer daarvan in concreto sprake is, moet natuurlijk van geval tot geval worden bezien. Verschillen in aard, niveau en/of omvang van de werkzaamheden dienen bij die beoordeling te worden betrokken. Het ‘horen’ van de ambtenaar moet niet als een formaliteit worden beschouwd. Uit de besluitvorming moet duidelijk blijken dat met de argumenten van de ambtenaar rekening is gehouden. Het belang van de dienst moet de reden zijn voor de aanwijzing van een andere betrekking. Het dienstbelang is hier geen subjectief gegeven. Het gaat er dus niet om of naar het oordeel van het bevoegd gezag een dienstbelang aanwezig is, maar of er gemeten met objectieve maatstaven van een dienstbelang sprake is. De rechter kan dan elk besluit ter zake op dit punt inhoudelijk toetsen. De nieuwe betrekking moet ‘passend’ zijn in die zin dat deze hem redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. In elk concreet geval zal dit nauwkeurig moeten worden overwogen. De overgang naar de nieuwe betrekking mag, in vergelijking met de oude betrekking, in ieder geval niet een zodanig grensoverschrijdende achteruitgang in functieniveau betekenen dat tot de conclusie zou moeten worden gekomen dat de betrekking om die reden niet passend is te noemen. Jurisprudentie wijst uit dat een achteruitgang tot twee schaalniveaus aanvaardbaar is, op voorwaarde dat het oorspronkelijke salarisniveau en eventuele uitloop gehandhaafd blijft (zie uitspraak van de CRvB van 14 mei 1992, nr. AW 1990/562). 2.Het tijdelijk verrichten van niet tot de betrekking behorende werkzaamheden is een veel minder ingrijpende zaak dan het aanvaarden van een andere betrekking. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de opdracht daartoe te kunnen geven zijn dan ook minder stringent. Het dienstbelang moet - in tegenstelling tot het bepaalde in het eerste lid - al aanwezig worden geacht als dat naar het oordeel van het bestuursorgaan het geval is. De rechter zal slechts kunnen toetsen of het bestuursorgaan in redelijkheid tot dat oordeel is gekomen. 3.De ambtenaar moet met werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid direct beginnen, ook als hij daartegen bezwaren heeft in verband met zijn persoonlijkheid of omstandigheden. Het bezwaar schort de werking van het besluit niet op.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel