Naar hoofdinhoud
1.. De medewerker die consignatiediensten verricht wordt aangewezen door de werkgever. 2.. De aanwijzing voor het verrichten van consignatiediensten wordt door de werkgever ingetrokken: in geval van gebleken ongeschiktheid of onbekwaamheid; indien de medewerker naar het oordeel van de werkgever om medische, sociale of maatschappelijke redenen niet meer in staat moet worden geacht consignatiediensten te verrichten. 3.. Wanneer de medewerker van mening is, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden het verrichten van consignatiediensten redelijkerwijs niet aan hem kunnen worden gevraagd, dan dient hij een gemotiveerd verzoek voor ontheffing in bij de algemeen directeur/gemeentesecretaris. 4.. Wanneer de medewerker van mening is, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden, er acute redenen zijn waarom de werkzaamheden redelijkerwijs niet aan hem kunnen worden gevraagd, dan vraagt hij daarvoor tijdens de consignatiedienst ontheffing aan bij de beschikbare leidinggevende. Dit laat onverlet de verplichting voor de medewerker direct te beginnen met de uitvoering van de noodzakelijke werkzaamheden.

Rechtspraak bij dit artikel