Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Beëindiginggronden

Onderdeel van Beleidsregels schuldhulpverlening 2013

Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels, kan het college besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien: belanghebbende niet langer voldoet aan het bepaalde onder artikel 2, danwel één van de factoren genoemd in artikel 3 lid 2 onder a tot en met f een rol spelen; het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgerond; belanghebbende zijn beschikbare aflossingscapaciteit of vermogen niet wil gebruiken voor de aflossing van zijn schulden; op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan belanghebbende is toegekend, terwijl indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen; belanghebbende zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het schuldhulpverleningstraject, misdraagt; belanghebbende in staat is om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren; de geboden hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende, niet (langer) passend is; schuldeiser(s) hun medewerking weigeren aan een minnelijke schuldregeling; faillissement van belanghebbende; de voorwaarden uit de schuldregelingsovereenkomst niet zijn nagekomen; belanghebbende nieuwe schulden is aangegaan; belanghebbende is komen te overlijden; er een WSNP-verklaring is afgegeven; belanghebbende voor de twee keer niet is verschenen op een afspraak zonder hierover vooraf te berichten; belanghebbende zich niet naar vermogen inspant om de onderliggende oorzaak van de schuldenproblematiek op te lossen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel