Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 10.

Instandhoudingbepaling

Onderdeel van Monumentenverordening Ridderkerk 2013

Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1 en 2, te beschadigen of te vernielen. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1 en 2, te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet als het collegenadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar, als en voor zover het een vergunning betreft waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstoefening in dat monument in het geding zijn. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing indien deze activiteit betrekking heeft op: gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. verdere activiteiten zoals genoemd in Bijlage 2, Hoofdstuk IIIa, artikel 4a van het Besluit omgevingsrecht (Bor)

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel