Deze verordening kan worden aangehaald als 'Exploitatieverordening gemeente Harlingen 2001".
Vastgesteld door de raad in zijn
vergadering van
, de voorzitter.
, de raadsgriffier.
Toelichting op de 'Exploitatieverordening gemeente Harlingen 2001'
Algemeen:
Deze verordening legt ingevolge artikel 42 Wet op de Ruimtelijke Ordening de voorwaarden vast, waaronder de gemeente medewerking zal verlenen aan de exploitatie van gronden, die in de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen.
De verordening heeft het karakter van algemene voorwaarden welke van toepassing zullen zijn op het sluiten van overeenkomsten met de exploitanten.
De verordening regelt in de eerste plaats het verhaal van door de gemeente te treffen kosten van voorzieningen van openbaar nut, voorzover die niet op andere wijze (bijvoorbeeld via gronduitgifte of door het heffen van baatbelasting) zijn of worden verhaald op de exploitant. Uit recente jurisprudentie valt af te leiden dat alle overeenkomsten tot kostenverhaal, welke niet als gronduitgifteovereenkomsten kunnen worden aangemerkt, op de exploitatieverordening moeten worden gebaseerd. De in deze verordening gegevens regels voor kostenverhaal geven een adequaat resultaat voor de vele gevallen waarin een grondeigenaar de medewerking verzoekt voor de ontwikkeling en uitvoering van bouwplannen op zijn grond. De gemeente zal die medewerking in beginsel verlenen indien het betreffende bouwplan past in het gemeentelijk ruimtelijk en/of volkshuisvestelijk beleid en de exploitant tevens bereid is om de door de gemeente te maken kosten voor voorzieningen van openbaar nut aan haar te vergoeden. De algemene regels voor het kostenverhaal van de verordening zijn niet toegesneden op stedelijke ontwikkelingen, welke slechts in een gestructureerd samenwerkingsverband tussen de gemeente en de ontwikkelende partij(en) tot stand kunnen worden gebracht. Voor een dergelijk samenwerkingsverband is een nauwgezette fasegewijze contractering nodig, welke van geval tot geval zal verschillen. De financiële betrokkenheid van de gemeente (zowel wat betreft te maken kosten als het nemen van risico's) bij dergelijke PPS-projecten laat zich niet in een verordening regelen. In dergelijke gevallen zal de raad dan ook van geval tot geval moeten kunnen beslissen.
De verordening biedt ook de mogelijkheid om voorwaarden te stellen met het oog op de effectuering van andere doelstellingen van grondbeleid. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan volkshuisvestelijke doeleinden, welke vertaald worden in voorgeschreven woningdifferentiaties en prijs/kwaliteitsverhoudingen.
In exploitatiegebieden waarin de grondeigendomsverhouding zodanig is dat de mogelijkheid bestaat dat de gemeente via gronduitgifte en exploitatie-overeenkomsten niet tot volledig kostenverhaal kan komen, is het van belang om tijdig een bekostigingsbesluit te doen nemen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 222 van de Gemeentewet. Op die wijze kan tijdig kostenverhaal via baatbelasting worden voorbereid.
Artikelgewijze toelichting:
In artikel 1 worden allereerst de begripsbepalingen gegeven en wordt verder aangegeven welke werken ten minste worden beschouwd als voorzieningen van openbaar nut in de zin van deze verordening. De verordening is alleen van toepassing, als medewerking wordt verleend aan het in exploitatie brengen van gronden die niet in eigendom zijn van de gemeente.
De daartoe opgenomen definitie strookt met de terminologie die ook de wetgever hanteert in artikel 222 Gem W. Onder deze definitie vallen ook gebouwde onroerende zaken.
In tegenstelling tot de oude verordening wordt de aanleg van rioolwaterzuiveringsinstallatie niet meer beschouwd als een voorziening van openbaar nut. Dat is uitdrukkelijk wel het geval met de milieutechnische en ecologische maatregelen die ten behoeve van het plan moeten worden genomen.
In artikel 2 wordt aangegeven wat wordt begrepen onder de kosten van in exploitatie brengen. Dat betreft zowel de kosten van voorzieningen binnen als van voorzieningen buiten het plan. De laatste worden wel aangeduid als kosten van bovenwijkse voorzieningen. Indien dat wenselijk wordt geacht, kunnen de kosten voor bovenwijkse voorzieningen worden doorberekend via een fondsopslag, maar dat vereist wel een beleidsmatige onderbouwing daarvan, alsmede een consequente toepassing van dat beleid. Dat houdt in dat de opslag ook wordt toegepast binnen exploitaties van gebieden waarin alle grond in handen van de gemeente is. De beleidsmatige onderbouwing kan plaatsvinden bij de vaststelling van het structuurplan of op basis van een afzonderlijke beleidsnota, liefst vastgesteld overeenkomstig de regels in de toekomstige derde tranche van de A WB, dat wil zeggen algemeen kenbaar en goed onderbouwd. In principe legt de gemeente de openbare voorzieningen zelf aan. In deze bepaling is ook een garantie opgenomen voor de kwaliteit en de financiële borging ingeval de exploitant zelf de openbare voorzieningen aanlegt.
In artikel 3 is aangegeven op welke basis kan worden gekomen tot een verantwoorde omslag van de kosten over de gebate percelen indien er meer exploitanten zijn.
De verdeelsleutel ligt in de opbrengstcapaciteit (marktwaarde) van de gronden, rekeninghoudend met de toekomstige bestemming en objectieve gebruiksmogelijkheid.
In geval er op deze wijze geen billijke omslag kan worden vastgesteld biedt de bepaling de mogelijkheid om Qat op andere wijze te doen.
In artikel 4 is de berekeningswijze aangegeven van de exploitatiebijdrage die de exploitant krachtens de exploitatieovereenkomst zal moeten betalen. In geval strijd ontstaat over de berekening van de inbrengwaarde van de gronden kan een commissie van deskundigen uitkomst bieden.
In artikel 5 wordt de inhoud van de exploitatieovereenkomst geregeld. Komt een overeenkomst tot stand, dan dient die in overeenstemming te zijn met de exploitatieverordening en de daartoe met name gegeven elementen te bevatten.
Artikel 6 bevat de voorwaarden waaraan een exploitant moet voldoen die een schriftelijke aanvraag indient tot het sluiten van een exploitatieovereenkomst. In de oude verordening was een schriftelijke aanvraag een bestaansvoorwaarde voor het sluiten van een exploitatieovereenkomst. In de praktijk werden overeenkomsten gesloten zonder dat een dergelijke aanvraag aanwezig was, hetgeen aanleiding gegeven heeft tot veel jurisprudentie, waarbij overwegend de gemeenten in het ongelijk werden gesteld. In de nieuwe verordening is de aanvraag geen noodzaak meer.
De weigeringsgronden staan in artikel 7, maar zijn niet uitputtend aangegeven. De rechts-zekerheid vereist echter bij weigering een goede motivatie. De weigeringsgronden moeten worden gezien als een ondersteuning bij die motiveringseis. Als medewerking aan het sluiten van een exploitatieovereenkomst wordt geweigerd, kan ook geen medewerking worden verleend aan het treffen van voorzieningen van openbaar nut binnen het eigendomsgebied van de exploitant.
In artikel 8 wordt voldaan aan de eis van de wet, dat geen baatbelasting mag worden geheven, als er sprake is van kostenverhaal op andere wijze, via de gronduitgifte of een exploitatie-overeenkomst. Een betrokkene kan dus nooit twee keer een bijdrage betalen.
In artikel 9 staat een afwijkingsmogelijkheid voor gevallen waarin sprake is van de aanleg van voorzieningen van ondergeschikt belang.
Artikel 10 ziet toe op de gevallen waarin de gemeentelijke betrokkenheid bij de ontwikkeling zodanig is, dat zij PPS-overeenkomsten aangaat met grondeigenaren c.q. ontwikkelende partijen. De Raad kan besluiten in die gevallen op basis van specifieke contracten af te wijken van de bepalingen van de verordening. De afwijkingen zullen hun grondslag moeten vinden in door de Raad geformuleerd beleid ten aanzien van die ontwikkeling.