Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
artikel 10:29 lid 1)
**1.** Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan
de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5,
over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen
echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering
ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen
dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen
dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters
of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.
**2.** Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van
een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op
het wachtgeld een vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel
10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het verminderde
wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is de som van beide
uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het onverminderde
wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend naar
het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.
**3.** Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
aangewend voor betaling van de kosten van de laatste ziekte of van
de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
ontoereikend is.
**4.** Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.