**1..** Burgemeester en wethouders kunnen de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken:
indien blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben verleend of dat gegevens of bescheiden als bedoeld in artikel 40a, tweede lid, niet tijdig zijn overgelegd;
indien blijkt dat de houder niet heeft voldaan aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 56 (verbinden van voorwaarden aan vergunning);
indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden;
indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn hebben stilgelegen;
op verzoek van de vergunninghouder, of
in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet BIBOB), met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet in deze wet onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten omstandigheden redelijkerwijs met een vergunninghouder gelijk kan worden gesteld.
**2..** Een vergunning met toepassing van artikel 45 (tijdelijke bouwvergunning) verleend, kan bovendien worden ingetrokken, indien de voorschriften omtrent het onderhoud en gebruik niet worden nageleefd.
**3..** Een intrekking als bedoeld in het tweede lid, heeft hetzelfde rechtsgevolg als het verstrijken van de in de vergunning gestelde termijn.
**4..** Voordat toepassing wordt gegeven aan onderdeel f van het eerste lid kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuurd, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.