**1..** De toeslag wordt voor een alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid van de wet genoemde maximumbedrag;
**2..** De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben 50% van het artikel 25, tweede lid van de wet genoemde maximumbedrag;
**3..** In afwijking van het voorgaande wordt de toeslag voor een alleenstaande van 21 jaar en 22 jaar op grond van artikel 29 van de wet afwijkend vastgesteld:
voor een alleenstaande van 21 jaar bedraagt de toeslag 10% van het in artikel 25, tweede lid van de wet genoemde bedrag;
voor een alleenstaande van 22 jaar bedraagt de toeslag 45% van het in artikel 25,tweede lid van de wet genoemde bedrag.
**4..** De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder, in afwijking van lid 3, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag, indien de kosten van het bestaan uitsluitend kunnen worden gedeeld met:
kinderen die uitsluitend aanspraak kunnen maken op studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet Studiefinanciering 2000, of op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, dan wel waarvoor aanspraak op kinderbijslag bestaat of;
niet ten laste komende kinderen jonger dan 21 jaar die over een inkomen beschikken dat niet hoger is dan het in artikel 21 onder a van de wet genoemde bedrag.