Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 14.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand

1.. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt, met uitzondering van hetgeen in lid 3 staat vermeld, een verlaging toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. 2.. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging als bedoeld in het eerste lid op de volgende wijze vastgesteld: 10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode tot 3 maanden; 50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode van 3 tot 6 maanden; 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij een periode van 6 maanden en langer. 3.. In afwijking van lid 1 en lid 2 bedraagt de verlaging bij het onverantwoord interen van vermogen: 0% bij een benadelingsbedrag tussen € 0,00 en € 1000,00; 20% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 1000,00 maar minder bedraagt dan € 2000,00; 50% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 2000,00. 4.. Indien een belanghebbende, onderdeel uitmakend van een gezin als bedoeld in artikel 4lid 1 onder c van de wet, langer dan de toegestane periode als bedoeld in art. 13 van de wet verblijf houdt buiten Nederland waarbij de overige gezinsleden recht houden op degezinsnorm, wordt de bijstandsnorm gedurende een maand met 10% verlaagd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel