Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen. 2.. Een vergunning kan worden verleend aan: de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, te noemen bewonersvergunning; het aantal te verlenen bewonersvergunningen, wordt verminderd met het aantal bij de woning behorende of zich op het grondgebied van de woning bevindende dan wel op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving of anderszins ter beschikking van de bewoner staande stallingsplaatsen, gelegen binnen het vergunninggebied waarin aanvrager woonachtig is; per woonadres binnen gebied "Centrum" dan wel "Oost" worden maximaal twee vergunningen verleend; de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze een beroep of bedrijf uitoefent, terwijl het vestigingsadres ligt in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en aantoont dat het in het belang van diens beroeps- of bedrijfsuitoefening, waarbij wordt gelet op de voorzienbaarheid, planbaarheid, samenvoegbaarheid van het autogebruik ten behoeve van het bedrijf alsmede de aard van de te vervoeren goederen (vies, vers, vuil), noodzakelijk is in dat gebied een voertuig te parkeren, te noemen bedrijfsvergunning; het aantal te verlenen bedrijfsvergunningen wordt verminderd met het aantal bij het bedrijf behorende of zich op het grondgebied van het bedrijf bevindende dan wel op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving of anderszins ter beschikking van het bedrijf staande stallingsplaatsen, gelegen binnen het vergunninggebied waarin aanvrager gevestigd is; degene die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, ten behoeve van het parkeren van het motorvoertuig van degene die hem of haar bezoekt, te noemen parkeerkraskaart; instellingen die voor de uitoefening van de functie of taak structureel één of meer motorvoertuigen in de gehele gemeente moet bezigen, voor het parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen, te noemen functionele vergunning; een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodate, waarvan de autodateplaats is gelegen in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, te noemen autodatevergunning; de eigenaar of houder van een motorvoertuig die alleen wil parkeren op het parkeerterrein Pelmolenpad, Vissereiland of de RAC-locatie, te noemen Langparkeervergunning; de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze in het bezit is van een op zijn of haar naam staand geldig maand- of jaarabonnement van de Nederlandse Spoorwegen, met uitzondering van abonnementen geldig voor het traject Hoorn - Hoorn Kersenboogerd, die wil parkeren op een van de voor deze categorie bedoelde parkeerplaatsen op het Transferium Hoorn of het Pelmolenpad, te noemen Transferiumvergunning; de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze als werknemer werkzaam is bij een bedrijf gevestigd in het gebied Venenlaankwartier/Hoorn-noord waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die wil parkeren op de in het betreffende gebied aanwezige belanghebbendenplaatsen, te noemen werknemersvergunning; de eigenaar of houder van een motorvoertuig die wil parkeren op het parkeerterrein ten noorden van kunstijsbaan De Westfries, te noemen De Westfries vergunning; de eigenaar of houder van een motorvoertuig ten aanzien waarvan het bepaalde in de onderdelen a tot en met g geen toepassing kan vinden en die tijdelijk een motorvoertuig moet parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen en waarvoor parkeren na inworp van geld bij meters en automaten dan wel op parkeerplaatsen met een parkeerduurbeperking geen redelijk alternatief is, te noemen incidentele vergunning. 3.. De eigenaar of houder van een motorvoertuig die voldoet aan zowel de onder a. als onder b. van het tweede lid gestelde voorwaarden wordt geacht te beantwoorden aan de onder a. genoemde voorwaarde. 4.. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het tweede lid genoemde voorwaarden. 5.. Aan de vergunning kunnen zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. 6.. Het college kan aan een vergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.

Rechtspraak bij dit artikel