Een waarnemingstoelage wordt door burgemeester en wethouders toegekend conform hetgeen is geregeld in artikel 3:1:2 van de CAR/UWO.
De hoogte van de waarnemingstoelage is 8% van het eigen salaris (artikel 3:1:2 lid 2) gedurende de periode van de waarneming. De waarnemingsvergoeding met de eigen bezoldiging tezamen is echter nooit meer dan het maximum van de schaal die bij de waargenomen functie hoort.
Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het maximum van schaal 8, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen.