De omvang en de duur van de afbouwtoelage als bedoeld in artikel 26 van de Bezoldigingsregeling wordt vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.
De berekeningsbasis voor de vaststelling van de afbouwtoelage is het verschil tussen het bedrag dat de belanghebbende over de twaalf kalendermaanden, voorafgaande aan de inkomstenvermindering, gemiddeld per maand aan toelage op basis van artikel 23, 24, 25 en 27 heeft genoten en het totaalbedrag dat hij daarna gaat genieten aan een van die toelagen of aan beide toelagen en aan verhogingen van de wedde, anders dan die wegens algemene salarisverhogingen.
Recht op afbouwtoelage bestaat voor iedere maand in de afbouwperiode waarin de berekeningsbasis 3% of meer bedraagt van de wedde van de belanghebbende op de dag, voorafgaande aan die van de inkomstenvermindering. Onder afbouwperiode wordt verstaan de periode waarover de overgangstoelage kan worden toegekend.
De duur van de afbouwtoelage is gelijk aan een vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de overwerktoelage respectievelijk de toelage wegens onregelmatige dienst zonder wezenlijke onderbreking werd genoten en bedraagt ten hoogste zesendertig maanden. Bij de berekening van het aantal maanden vindt een afronding naar boven plaats op een geheel aantal maanden. De aldus berekende afbouwperiode wordt in drie gelijke delen gesplitst, waarbij het eerste en eventueel het tweede deel naar boven wordt afgerond, met dien verstande dat het totaal aantal maanden niet meer bedraagt dan dat van de afbouwperiode.
De afbouwtoelage vangt aan op het tijdstip van beëindiging of vermindering van de overwerktoelage respectievelijk van de toelage wegens onregelmatige dienst, met dien verstande dat indien de beëindiging of vermindering niet plaatsvindt op de eerste dag van een maand, het tijdstip van aanvang van de afbouwperiode wordt bepaald op de eerste dag van de volgende maand. Over de maand, waarin bedoelde beëindiging of vermindering intreedt, vindt aanvulling van het bedrag van de toelage plaats tot het gemiddelde bedrag dat aan die toelage of toelagen gedurende de voorafgaande twaalf maanden werd genoten.
De afbouwtoelage bedraagt in de in het derde lid omschreven drie delen van de afbouwperiode respectievelijk 75%, 50% en 25% van de berekeningsbasis.