In het eerste lid is bepaald dat het dagelijks bestuur uit drie leden bestaat: één voorzitter en twee andere leden. In het tweede lid wordt daaraan toegevoegd dat de leden van het dagelijks bestuur door het algemeen bestuur uit hun midden worden benoemd. Dit betekent dat er binnen de bestuurscommissies sprake is van monisme. De leden van het dagelijks bestuur maken ook onderdeel uit van het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur zijn dus geen nevengeschikte organen met een eigenstandige positie zoals dat bij de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders wel het geval is.
Tussen het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur bestaat een hiërarchische verhouding, het dagelijks bestuur is aan het algemeen bestuur ondergeschikt. Aan het dagelijks bestuur worden dus geen eigen taken en bevoegdheden overgedragen. Zij voeren de taken uit en oefenen de bevoegdheden uit die door het algemeen bestuur aan hen zijn gemandateerd. Uitgangspunt is dat het mandaat dat daarbij door de verschillende algemene besturen aan het dagelijks bestuur wordt verleend in grote lijnen gelijk is, maar het blijft mogelijk om hier tot op zekere hoogte eigen afwegingen in te maken.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 12:
samenstelling dagelijks bestuur
Onderdeel van Verordening op de bestuurscommissies 2013