Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2013.
Per 1 januari 2013 komt de ‘Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012’ te vervallen.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 22 oktober 2013.
De griffier, de voorzitter,
A. de Vos, A.J. Rodenburg
Algemene toelichting
De gemeenteraad heeft in de Wet Werk en Bijstand (hierna: WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening.
Het recht op uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Het verlenen van bijstand bestaat uit twee onderdelen, enerzijds het verstrekken van een inkomensvoorziening en anderzijds het verstrekken van ondersteuning bij het zoeken en/of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, of voor jongeren de terugkeer naar school. Wanneer men tot het oordeel komt dat een uitkeringsgerechtigde verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Dit heet het ‘opleggen van een maatregel’.
Artikel 18 van de WWB schrijft voor dat verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te stellen verordening. Het eerste lid van artikel 18 WWB schrijft voor dat het college zorg draagt dat de bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Het tweede lid schrijft voor dat de bijstand wordt verlaagd wanneer de belanghebbende zich niet aan zijn verplichtingen houdt, een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor zijn bestaansvoorziening en/of zich jegens het college ernstig misdraagt.
Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien indien het college daartoe zeer dringende redenen aanwezig acht.
Op grond van artikel 18, lid 2, WWB kan zowel de algemene bijstand als de bijzondere bijstand worden verlaagd. Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen niet in de rede. Uitzondering hierop kan zijn de bijzondere bijstand die in de vorm van een toeslag op de algemene bijstand aan jongeren tussen de 18 en 21 jaar kan worden verstrekt als aanvulling voor de algemeen noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Wel kan bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor overige vormen van bijzondere bijstand een rol spelen of de belanghebbende zijn verplichtingen in voldoende mate is nagekomen. Dit geldt dan vooral voor de plicht om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan.
Afstemmen in de IOAW en de IOAZ
Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) of op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagingen of te weigeren indien een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ). De gemeente moet het gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening (artikel 35, lid 1 onderdeel b IOAW en artikel 35, lid 1 onderdeel b IOAZ). De verlaging van de uitkering is in de plaats gekomen van het boeten- en maatregelenregime IOAW/IOAZ. Door het vaststellen van deze verordening wordt aan deze verordeningsplicht voldaan.
Schenden van de inlichtingenplicht
Met ingang van 1 januari 2013 is de bestuurlijke boete opnieuw ingevoerd in de WWB, IOAW en de IOAZ. Vanaf die datum legt het college in het geval van een schending van de inlichtingenplicht niet langer een maatregel op, maar een boete. Dit is geregeld in de ‘Wet aanscherping fraude en sanctiemogelijkheden sociale zekerheidswetgeving’ (hierna: Fraudewet), en niet in deze verordening. Hiermee geeft het rijk een duidelijk signaal af in de bestrijding van fraude en misbruik met sociale zekerheidswetgeving. De Fraudewet geldt niet alleen voor de WWB, maar voor alle sociale zekerheidswetgeving. De invoering van de Fraudewet is de directe aanleiding de maatregelenverordening WWB 2012 te herzien. De onderdelen in de vorige verordening die te maken hadden met het schenden van de inlichtingenplicht zijn verwijderd.
De voorliggende maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ biedt de basis voor het opleggen van een maatregel en biedt de burger rechtszekerheid: het geeft aan in welke gevallen er een maatregel kan worden opgelegd. Het houdt tevens in dat het niet is toegestaan een zwaardere sanctie op te leggen dan volgens de verordening is toegestaan. Het college moet, voordat de maatregel wordt opgelegd, rekening houden met alle omstandigheden, mogelijkheden en de financiële situatie van de belanghebbende of het gezin. Daarnaast probeert de gemeente de belanghebbende zijn verhaal te laten doen. Het opleggen van een maatregel is hiermee maatwerk.
De relatie met de re-integratieverordening
Gemeenten hebben ook de plicht een re-integratieverordening vast te stellen. In deze verordening wordt vastgelegd hoe belanghebbenden worden ondersteund bij de arbeidsparticipatie en hoe wordt omgegaan met het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing en stages, loonkostensubsidie en gesubsidieerde arbeid, sociale activering en kinderopvang. In beginsel worden aan iedere belanghebbende de arbeidsverplichtingen opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd. In de re-integratieverordening wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die kunnen worden ingezet. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele beschikking. Indien de belanghebbende de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de maatregelenverordening.
De relatie met de Wet Inburgering
Soms valt een belanghebbende tevens onder de Wet Inburgering (WI) en wordt hem/haar een inburgeringstraject aangeboden. Indien de WI-activiteit onderdeel is van het re-integratietraject is, valt de inburgeraar tevens onder de maatregelen-verordening. Wanneer een dergelijke ‘samenloper’ een boete krijgt vanuit de WI, gaat de maatregelenverordening voor. De boete vervalt in dergelijke gevallen.
Wijzigingen ten opzichte van de ‘Maatregelenverordening WWB 2012 gemeente Midden-Delfland’
De wijzigingen ten opzichte van de ‘Maatregelenverordening WWB’ zijn het vervallen van de volgende artikelen:
Hoofdstuk 5.
Artikel 18.
Ingangsdatum
Onderdeel van Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Midden-Delfland 2013