Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.

Verzoek tot doorbetaling huur/hypotheekrente

Onderdeel van Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive WWB gemeente Midden-Delfland 2013

Het eerste lid van artikel 3 voorziet in de mogelijkheid voor belanghebbende om het college te verzoeken in ieder geval de huur minus de huurtoeslag (en in het geval van eigenwoningbezit de hypotheekrente onder aftrek van de in dit kader ontvangen belastingteruggave en eventueel ontvangen bijzondere bijstand) via de bijstand te laten doorbetalen. De gedachte hierachter is dat met name moet worden gevreesd dat de belanghebbende, wanneer hij drie maanden geen bijstand meer ontvangt, het risico loopt dat hij/zij vanwege de ontstane achterstand in huur- of hypotheekbetalingen, uit huis wordt geplaatst. Dit leidt tot extra kosten voor de maatschappij en gaat voorbij aan de zorgplicht van de gemeente. Om dit te voorkomen biedt deze bepaling het college de mogelijkheid de verrekening in zoverre aan te passen, dat alsnog vanuit de bijstand de woonlasten kunnen worden doorbetaald. Hierbij is gekozen voor een directe doorbetaling aan de verhuurder of de hypotheekverstrekker. Dit om te voorkomen dat de bijstand voor andere zaken wordt ingezet, waardoor alsnog het risico van uithuisplaatsing reëel blijft. Het tweede lid van artikel 3 bepaalt dat een verzoek tot doorbetaling zonder meer wordt geweigerd wanneer de belanghebbende in redelijkheid kan beschikken over voldoende gelden om de genoemde drie maanden in zijn levensonderhoud kan voorzien of deze gelden op korte termijn kan verwerven. Bewust wordt gesproken over gelden in plaats van middelen. Wanneer uitgegaan wordt van het begrip ‘middelen’ zoals bedoeld in artikel 31 WWB, worden namelijk een aantal posten uitgesloten, zoals bedragen ontvangen in het kader van een immateriële schadevergoeding of bedragen waarover de belanghebbende wel beschikt, maar die bij saldering met openstaande schulden geen aan te spreken vermogen opleveren. Dit zijn echter wel gelden die de belanghebbende in deze situatie kan aanspreken voor zijn levensonderhoud. Wel dient beoordeeld te worden in hoeverre de belanghebbende hier in redelijkheid over kan beschikken. Het is niet redelijk dat het college in deze gevallen verwacht dat hij/zij bezittingen verkoopt die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn (bijvoorbeeld meubels of een bed). En natuurlijk kunnen inkomsten verworven worden door werkaanvaarding, maar indien de afstand die de belanghebbende heeft tot de arbeidsmarkt (zeer) groot is, is de vraag of dit op korte termijn te realiseren is. In dit soort situaties is afwijzing van de doorbetaling op grond van lid twee van dit artikel niet zonder meer van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel