Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive WWB gemeente Midden-Delfland 2013’.
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering d.d. 22 oktober 2013.
De raad voornoemd.
De griffier, de voorzitter,
A. de Vos, A.J. Rodenburg
Algemene toelichting
Artikel 17, lid 1 van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) schrijft voor dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of op het recht op bijstand. Wanneer de belanghebbende deze informatie niet (tijdig) verstrekt is sprake van schending van de inlichtingenplicht. Tot 1 januari 2013 werd, naast het terugvorderen van de eventueel te veel verstrekte bijstand, een maatregel toegepast op de uitkering. Op 1 januari 2013 is de ‘Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving’ (hierna: ‘Fraudewet’) in werking getreden. Met deze wet krijgt het college de plicht om een boete op te leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid om een maatregel in deze situatie op te leggen verdwijnt.
De hoogte van de boete is in geval van schending van de inlichtingenplicht in beginsel gelijk aan het bedrag dat de belanghebbende te veel aan bijstand heeft ontvangen. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) is verplicht de bestuurlijke boete met de lopende uitkering te verrekenen. Bij deze verrekening moet in beginsel de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden.
Is sprake van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht (zogenaamde recidive) dan wordt de bestuurlijke boete in beginsel verhoogd tot 150% van het teveel ontvangen bedrag. Naast deze verhoging krijgt het college ook de bevoegdheid om in de eerste drie maanden na het opleggen van de boete de bijstand volledig te verrekenen met de openstaande boetevordering. De beslagvrije voet kan dus voor maximaal drie maanden buiten werking worden gesteld.
In eerste instantie had de wetgever voorzien in een plicht tot volledige verrekening van de boete bij recidive. Bij amendement is deze verplichting omgezet in een bevoegdheid, zodat de gemeente de mogelijkheid heeft daar waar volledige verrekening onwenselijke effecten heeft (bijvoorbeeld hogere maatschappelijke kosten vanwege uithuisplaatsing) de verrekening aan te passen dan wel bij de verrekening de beslagvrije voet wel te hanteren.
De WWB verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete. Door het vastleggen van regels ontstaat ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht.
Het kan voorkomen dat het college het verzoek krijgt van een andere gemeente om een door hen opgelegde boete te verrekenen (zogenaamde pseudoverrekening). In deze gevallen is het aan de gemeente die de boete heeft opgelegd (op basis van hun verordening) om aan te geven of zij de beslagvrije voet willen hanteren of niet. De gemeente die de uitkering verstrekt moet hier in beginsel aan meewerken. Als de beslagvrije voet in voorkomende gevallen niet wordt gehanteerd heeft de belanghebbende de mogelijkheid de verstrekkende gemeente te verzoeken de beslagvrije voet toch te verstrekken. Artikel 60b, tweede lid WWB biedt de verstrekkende gemeente de mogelijkheid aan dit verzoek te voldoen. In de meeste gevallen zal het college dan besluiten volgens de eigen verordening te handelen.
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 3.
Artikel 7.
Citeertitel
Onderdeel van Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive WWB gemeente Midden-Delfland 2013