Het college weigert de splitsingsvergunning met het oog op de woonruimtevoorraad indien:
Het belang dat de aanvrager heeft bij splitsing niet opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad.
De aanvraag betrekking heeft op nader door het college aan te wijzen wijken of straten waar het met het oog op een geordend woon- en leefmilieu ongewenst is dat er sprake is van meer woonruimte.
Het gebouw of het gedeelte van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat die worden verhuurd of die laatstelijk verhuurd zijn geweest.
Het gebouw of gedeelte van een gebouw is bewoond, in strijd met de regels van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1. Wet ruimtelijke ordening dan wel een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 Wet ruimtelijke ordening of met enig wettelijk voorschrift, geheel of gedeeltelijk voor een ander doel dan voor bewoning in gebruik is genomen.
Niet gewaarborgd is dat die woonruimte(n) na de voorgenomen splitsing bestemd blijft of blijven voor verhuur ter bewoning.
Indien het quotum is bereikt als bedoeld in artikel 2.2.7
Het college weigert de splitsing in verband met de toestand van het gebouw indien:
De toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, uit een oogpunt van indeling of de staat van onderhoud geheel of ten dele zich daartegen verzet.
De desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende verzekerd is, dat die gebreken zullen worden opgeheven.
Niet geregeld is dat er een onderhoudsreserve is gevormd met een daaraan gekoppelde Meerjarenonderhoudsplanning.
Van gebreken als bedoeld in het voorgaande sub b is in ieder geval sprake, indien een handhavingsbesluit ingevolge artikel 1b, tweede lid van de Woningwet is genomen of is aangeschreven ingevolge de artikelen 13 of 13a van de Woningwet.
Hoofdstuk 2.2.
Artikel 2.2.4.
Weigeringsgronden
Onderdeel van Huisvestingsverordening 2013 van de gemeente Vlissingen