In dit artikel wordt verstaan onder:
Wet: de Wet op de kansspelen;
kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;
hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de
Wet;
laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg
zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.
Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.:42.
Artikel 2:43a Verboden voorwerpen op evenemententerreinen
Het is op door het college aangewezen evenemententerreinen verboden om flesjes, blikjes, steenachtig materiaal en overige, in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid op het evenemententerrein, mogelijk gevaarlijke voorwerpen bij zich te dragen of voorhanden te hebben.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen en geprepareerde voorwerpen
Het is verboden op een openbare plaats (inbrekers)werktuigen, waaronder gereedschappen, voorwerpen of middelen te vervoeren of bij zich te hebben, met het kennelijke doel zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels een voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.
3. Het in het tweedelid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp, niet bestemd is voor het plegen van de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.
(vervallen)
Artikel 2:46a Slapen op of aan de weg
1.Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg of het
openbaar water een stilstaand voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of ander
onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden;
Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen;.
Het verbod geldt niet voor een woonschip als bedoeld in artikel 1.1, onder k.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Het is verboden:
op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en/of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Hinderlijk gebruik van drank en softdrugs
Het is verboden op of aan de weg, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen en of softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.
Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten alcoholhoudende drank te nuttigen of bij zich te hebben in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke.
In dit artikel wordt verstaan onder softdrugs: de middelen, bedoeld in lijst II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet.
Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op:
a, een terras dat behoort bij een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
b.een andere plaats, niet zijnde een openbare inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.
Artikel 2:48a Openlijk gebruik
Het is verboden, op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw, vaartuig of
voertuig harddrugs te gebruiken of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen open-
lijk voorhanden te hebben.
Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
Het is verboden:
zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen, soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw, te bevinden.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Artikel 2:50a Gebiedsontzegging
De burgemeester kan degene die, hetzij alleen, hetzij in groepsverband, de openbare
orde ernstig verstoort door het plegen van strafbare feiten, of anderszins personen
lastig valt of schade toebrengt uit het oogpunt van openbare orde het bevel geven zich
te verwijderen en zich verwijderd te houden van of uit een door de burgemeester bij
bevel gegeven plaats of gebied gedurende de tijd bij het bevel genoemd.
b.Het is verboden zich in het gebied te bevinden in strijd met een krachtens het eerste lid
gegeven bevel.
Het in het eerste lid bedoelde bevel geldt niet voor zover de persoon tot wie het bevel is gericht:
a. in het gebied blijkens opgave in het persoonsregister van de gemeente woonachtig is, of
b. aannemelijk maakt dat hij op de plaats of in het gebied werkzaam is, of
c. anderszins aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend belang heeft zich in
dat gebied op te houden.
De burgemeester bepaalt de plaats of het gebied waarvoor een gebiedsontzegging bij bevel opgelegd kan worden.
Artikel 2:50b verblijfsontzegging
De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde en veiligheid, een verbod opleggen aan degene die de openbare orde of veiligheid heeft verstoord om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak te bevinden op in dat verbod genoemde plaatsen. Dit verbod geldt gedurende de in de bekendmaking van het verbod genoemde periode die ten hoogste twaalf weken mag bedragen.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen en dergelijke
Het is verboden op of aan de weg een fiets, een bromfiets of een andersoortig voertuig te
plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een
gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien:
dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of die portiek;
daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:51a Vastmaken van fietsen en dergelijke
Het is verboden fietsen, bromfietsen, aanhangwagens, kruiwagens of andersoortige voertuigen, op of aan de weg vast te maken aan bomen, boombeschermers, straatkolken en rioolputten of aan lantaarnpalen, draden, zuilen of andere inrichtingen of installaties, bestemd voor de openbare dienst.
Artikel 2:52 Overlast van fiets, bromfiets op markt-, kermisterrein en dergelijke
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen tijden zich met een fiets, bromfiets, of andersoortig voertuig te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is gemaakt aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:52a Overlast van fiets, bromfiets en dergelijke
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen verboden fietsen, bromfietsen of andersoortige voertuigen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
Het is verboden fietsen, bromfietsen of andersoortige voertuigen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren en waarmee rijtechnisch en uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet kan worden gereden, op de weg te laten staan.
Het is verboden om in door het college aangewezen openbare (brom-) fietsenstallingsgebieden, ter bescherming van de in het eerste lid genoemde belangen en in het belang van het beheer van de openbare ruimte, een (brom)fiets langer dan 28 dagen onafgebroken te stallen.
Artikel 2:53 Bespieden van personen
(vervallen)
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur
(vervallen)
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren
(vervallen)
Artikel 2:56 Alarminstallaties
(vervallen)
Artikel 2:57 Loslopende honden (aanlijnplicht)
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
op de weg, indien die hond niet isvoorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
Het college kan plaatsen aanwijzen waarvoor het gestelde in het eerste lid, aanhef en onder a niet van toepassing is.
De in het eerste lid, aanhef, onder a en b, genoemde verboden zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden (opruimplicht)
De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich
niet van uitwerpselen ontdoet:
op de weg;
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;
op een andere door het college aangewezen plaats.
De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gesteld gebod wordt
opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de
uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar de plicht tot het opruimen van de
uitwerpselen niet geldt.
De eigenaar of houder van een hond is verplicht een doelmatig opruimmiddel bij zich
te dragen dat is bestemd voor het verwijderen van uitwerpselen. Dat geldt zowel aan
het begin van de uitlaatronde als aan het eind ervan. De eigenaar of houder is
verplicht dit opruimmiddel op eerste vordering te tonen aan de met het toezicht
belaste ambtenaar.
De in het eerste lid, aanhef, onder a en b, genoemde verboden zijn niet van
toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap
door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan
het college de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en
muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op de weg of op een
terrein van een ander.
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te
houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste
1,50 meter.
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond te voorzien
en te houden van een muilkorf die:
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat
verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
zodanig is uitgevoerd dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen
de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen
de korf aanwezig zijn.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60 Hinderlijke, schadelijke en wilde dieren
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade
aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van
de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
aanwezig te hebben;
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in
het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven;
of
te voeren.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak, gelegen binnen een
krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente, ontheffing verlenen
van het in het eerste lid gestelde verbod.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet
tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:60a Verontreiniging door andere dieren
Het college kan wegen, weggedeelten en plaatsen aanwijzen waar de eigenaar of houder
van een bij die aanwijzing nader te bepalen dier, niet zijnde een hond, verplicht is ervoor te
zorgen dat de uitwerpselen van dat dier onmiddellijk worden verwijderd.
Artikel 2:61 Wilde dieren
(vervallen)
Artikel 2:62 Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 Duiven
(vervallen).
Artikel 2:64 Bijen
(vervallen)
Artikel 2:65 Bedelarij
(vervallen)
Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Begripsbepaling
(vervallen)
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
(vervallen)
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
(vervallen)
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
(vervallen)
Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven
(verplaatst naar afdeling 8, Toezicht op openbare inrichtingen)
Afdeling 13. Vuurwerken carbid
Artikel 2:71 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
vuurwerk dat is ingedeeld in categorie 1, 2 of 3 en dat bij of krachtens het
vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld
voor particulier gebruik;
In deze afdeling wordt verstaan onder carbidschieten:
het in een (melk)bus / container / opslagvat op explosieve wijze verbranden van
acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of
gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:73a
Carbid
Het is verboden carbid te bezigen met het kennelijke doel om het af te schieten of te schieten.
Afdeling 14Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op openbare plaats
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Afdeling 15: Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:25, 2:47, 2:50 of 2:50a van deze verordening groepsgewijs niet naleven.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 5
Artikel 2:40
Kansspelautomaten
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Diemen 2013
Verwijzingen
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 154a van de Gemeentewet
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 424
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 437
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 174a van de Gemeentewet
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 429