Het college van burgemeester en wethouders,
Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c, 27 en 30 Wet werk en bijstand (WWB)
B e s l u i t
Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B052 Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken van woonlasten
Artikel I
Richtlijn B052 wordt als volgt ingevuld:
Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid om de norm te verlagen in het geval de woonsituatie van belanghebbende met zich meebrengt dat hij daardoor lagere noodzakelijke kosten van bestaan heeft. Hier is nadrukkelijk ook onder begrepen de situatie waarin belanghebbende geen woning bewoont. Bij de bijstandsverlening moet met deze lagere bestaanskosten rekening kunnen worden gehouden. De wetgever heeft hiertoe in artikel 27 WWB een aparte rechtsgrond opgenomen, omdat de in artikel 25 WWB en artikel 26 WWB genoemde rechtsgrond voor een toeslag en verlaging uitsluitend ziet op het kunnen delen van de kosten met een ander.
Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers of in het geval waarin de belanghebbende anderszins geen huurder of eigenaar van de woning is (zie CRvB 03-01-2006, nr. 05/5952 WWB). Hiervan is echter ook sprake in geval een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten betaalt van de woning. Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand.
De woonkosten kunnen verder opgesplitst worden. Naast huur en hypotheek, kunnen er ook andere kosten onder vallen, zoals in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, bijvoorbeeld het eigenaarsdeel van de onroerendzaakbelasting en reserveringen voor onderhoud. Het ontbreken van deze kosten rechtvaardigen een lager bedrag aan algemene bijstand.
Als in een bepaald geval geen huur- of hypotheeklasten verschuldigd zijn, is dat niet in alle gevallen zonder meer voldoende reden voor de verlaging, omdat er ook andere jegens een derde verschuldigde woonlasten kunnen zijn. Als de verordening een verlaging voorschrijft wegens het ontbreken van de kosten van huur of hypotheek, zal het college in voorkomende gevallen zonodig met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB de hoogte van de bijstand afwijkend moeten vaststellen (vergelijk Rechtbank 's-Hertogenbosch 30-08-2010, nr. AWB 09/1372).
De Verordening toeslagen en verlagingen WWB Deurne 2012 (zie bijlage GB01) maakt in artikel 5 gebruik van de mogelijkheid die de WWB geeft, om een speciale verlaging toe te passen indien de belanghebbende een woning bewoont waaraan geen woonkosten verbonden zijn.
De bijstandsnorm van de belanghebbende die een woning bewoont waaraan geen kosten van huur of hypotheeklasten zijn verbonden (zie hiervoor de begripsomschrijving opgenomen in artikel 1, tweede lid, onderdeel e van de Toeslagenverordening), wordt verlaagd met het bedrag dat gelijk is aan de basishuur zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag. Als er sprake is van extra kosten die samenhangen met het ontbreken van woonkosten kan de verlaging worden verminderd met een bedrag dat met die extra kosten overeenkomt.
In beginsel wordt uitgegaan wordt van de vaste korting gelijk aan de basishuur zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag.
In individuele gevallen kan deze worden verminderd omdat de belanghebbende kosten in verband met het wonen heeft die niet onder de definitie van woonkosten vallen. Bijvoorbeeld de kraker die geen huur betaalt, maar gezien de staat van het pand wel kosten van groot onderhoud moet maken. Soms zou misschien aan een hogere korting gedacht kunnen worden (bijv. bij een grote woning). Juist in die situaties zullen zich echter vaak andere kosten voordoen, waarvoor de vaste verlaging dan nog ruimte laat.
Afwijkingen in de hoogte van de vaste korting dient te worden beoordeeld op grond van artikel 18 lid 1 en lid 4 WWB.
De verlaging geldt indien er voor de woning in het geheel geen woonkosten verschuldigd zijn. Daarnaast geldt ingevolge jurisprudentie dat deze verlaging ook in het geval de ex-partner de woonkosten van de woning blijft voldoen (CRvB 20-01-2001, nr. 99/644 NABW).
Voor de specifieke regels omtrent daklozen wordt verwezen naar paragraaf B6.9 onderdeel 6 inzake adreslozen, richtlijn B059. Wanneer de belanghebbende die geen woning bewoont onderdak (of een postadres) heeft gevonden bij het AMW, BJ-Brabant of De Oversteek wordt als volgt gehandeld:
AMW of BJ-Brabant
Cliënten van het AMW of BJ-Brabant komen voor bijstand, met de instelling als postadres, in aanmerking onder de volgende voorwaarden:
Betrokkenen verblijven in, en hebben een langdurige band met, Deurne.
De instelling oordeelt de regeling noodzakelijk voor een goed verloop van de hulpverlening.
De duur is máximaal 3 maanden; tijdens deze periode wordt alles in het werk gesteld om in Deurne een woning te krijgen.
De instelling geeft mutaties onmiddellijk door.
De uitkering bedraagt:
voor personen van 21 jaar en ouder:
de norm van artikel 21 onderdeel a WWB
+20% toeslag omdat betrokkene zijn algemeen noodzakelijke kosten met niemand kan delen
-/- het bedrag van de verlaging bij ontbrekende woonkosten.
voor 18 t/m 20-jarigen:
de norm van artikel 20 lid 1 onderdeel a WWB
als recht bestaat op bijzondere bijstand ingevolge artikel 12 WWB:
+ aanvulling zodanig vastgesteld dat de hoogte van de totale bijstandsuitkering (norm algemene bijstand op grond van artikel 20 lid 1 onderdeel a WWB + bijzondere bijstand op grond van artikel 12 WWB) overeenkomt met de hoogte van de bijstandsuitkering (norm + toeslag - verlaging) die in een vergelijkbare situatie zou gelden voor personen van 21 jaar (zie richtlijn nr.B079).
-/-het bedrag van de verlaging bij ontbrekende woonkosten; dit bedrag wordt op de bijzondere bijstand in mindering gebracht.
De Oversteek
Betreft: mensen in de nachtopvang van De Oversteek. Een aanzuigende werking op mensen van buiten Deurne moet worden voorkomen. Daarom gelden o.a. de volgende afspraken:
De Oversteek stuurt iemand pas door voor een bijstandsaanvraag na een wachttijd van 5 dagen waarin wordt bekeken of hij in de nachtopvang blijft.
De belanghebbende meldt zich, met een geldige legitimatie + een verklaring van D'n Herd over het verblijf in de nachtopvang, bij de Stadswinkel voor inschrijving in het bevolkingsregister op het adres van De Oversteek, Kasteeltraverse 102.
Met dezelfde gegevens meldt hij zich bij het Werkplein voor de bijstandsaanvraag. W&I grijpt voor wat betreft de ingangsdatum van de uitkering terug op de datum van aanvang van het verblijf in De Oversteek.
De Oversteek verstrekt aan het einde van elke maand een overzicht van het aantal malen dat elke cliënt daar nachtrust heeft gehad + een nota van het totaal aantal overnachtingen.
W&I blokkeert maandelijks de uitkering. Heeft de cliënt nog recht dan wordt het bedrag van de nota rechtstreeks aan De Oversteek voldaan; het restant wordt -behoudens andere inhoudingen- aan belanghebbende betaald.
Heeft de belanghebbende gedurende een volle kalendermaand niet in de nachtopvang verbleven, dan wordt de uitkering beëindigd per de eerste van die maand. De Oversteek zorgt dan ook voor uitschrijving bij de Stadswinkel.
Voor de hoogte van de uitkering worden mensen in de nachtopvang geacht niet alle kosten te kunnen delen. Voor de alleenstaande van 21 t/m 64 jaar oud betekent dit dus 7% toeslag.
Zie voor specifieke regels met betrekking tot daklozen ook B6.9.6.
Artikel II
De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.
Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,
De secretaris, De Voorzitter,
(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)
Bekend gemaakt op:
8 november 2012
Hoofdstuk 6
Artikel B052
Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten
Onderdeel van Richtlijnen Bijstand