1. De raad stelt het volgende begrotingsjaar vast. De drie opvolgende
jaren worden voor kennisneming aangenomen.
2. De raad stelt op voorstel van het college bij de aanvang van de
nieuwe raadsperiode een programma-indeling voor de komende raadsperiode
vast.
3. De raad stelt per programma tenminste de onderdelen, vast conform
artikel 8 BBV:
a. de doelstelling, in het bijzonder de beoogde maatschappelijke
effecten;
b. de wijze waarop ernaar gestreefd zal worden die effecten te
bereiken;
c. de raming van baten en lasten
4. De raad stelt het overzicht algemene dekkingsmiddelen vast conform
artikel 8 BBV
a. lokale heffingen, waarvan de besteding niet gebonden is;
b. algemene uitkeringen;
c. dividend;
d. saldo van de financieringsfunctie;
e. saldo tussen de compensabele BTW en de uitkering uit het
BTW-compensatiefonds;
f. overige algemene dekkingsmiddelen;
g. bedrag voor onvoorzien.
5. De raad stelt het overzicht reserves en voorzieningen en het
overzicht van investeringen vast, door middel van het vaststellen van de
begroting.
6. De raad stelt op voorstel van het college per programma indicatoren
vast met betrekking tot de beoogde maatschappelijke effecten, de te
verrichten beleidsactiviteiten en de in te zetten middelen door middel
van het vaststellen van de begroting.
7. Het college verwerkt de begrotingscirculaire van de toezichthouder
in de begroting.
8. Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van
gegevens over de beleidsdoelstellingen, beleidsactiviteiten en in te
zetten middelen, opdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het
beleid zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.
Titeldeel 2
Artikel 2