Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 3.

Toeslagen.

Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren

1.. De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid,van de wet bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 2.. De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid van de wet bedraagt 5% van de gehuwdennorm voor de jongere die: met één of beide ouders in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; verblijft in een instelling voor maatschappelijke opvang; zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is en aangifte doet van een door het college ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in artikel 1 van die wet. 3.. De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid van de wet bedraagt voor de jongere op wie het eerste en tweede lid niet van toepassing is 14 %, indien een zakelijke overeenkomst inzake het gebruik van de woning  wordt aangetoond; 5 %, indien geen zakelijke overeenkomst inzake het gebruik van de woning wordt aangetoond.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel