**1..** Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in de leden 4, 6 en 7 van dit artikel, en artikel 18 van deze verordening, dan wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
**2..** De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld:
10% van het benadelingbedrag als dit lager dan of gelijk is aan € 4.000,00
20% van het benadelingbedrag als dit hoger is dan € 4.000,00.
**3..** Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de maatregel 20% van de uitkering gedurende één maand.
**4..** Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een maatregel worden opgelegd van 100%. Deze maatregel geldt alleen voor de WWB.
**5..** Als toepassing van de leden 4, 6 en 7 leidt tot onbillijkheden wordt toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48 tweede lid onder b van de WWB en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn.
**6..** Indien de belanghebbende bij een aanvraag voor bijzondere bijstand verwijtbaar geen beroep doet op een voorliggende voorziening, stemmen we de bijzondere bijstand af ter hoogte van het bedrag waarop de belanghebbende een hoger beroep op bijstand doet.
**7..** Indien sprake is van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid leggen we een maatregel op van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.
Hoofdstuk 3: › Paragraaf 3.2:
Artikel 17:
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2013-II