Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6: › Paragraaf 6.2:

Artikel 35

Toeslag alleenstaanden en alleenstaande ouders

Onderdeel van Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2013-II

1.. De norm wordt verhoogd met een toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet indien de alleenstaande van 23 jaar en ouder en de alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 3.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die met één of meer anderen, niet zijnde eigen meerderjarige kinderen, zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. 4.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder als deze hoofdbewoner is van de woning, voor deze woning woonkosten zijn verschuldigd en hij deze woonkosten kan delen met maximaal twee inwonenden, die geen bloedverwant zijn in de eerste graad. Als de woning gedeeld wordt met meer dan twee onderhuurders of medebewoners dan wordt de hoofdbewoner gezien als beroepsmatig verhuurder en zal geen toeslag worden toegekend. 5.. Er wordt geen toeslag toegekend als een woning wordt bewoond waarvoor totaal geen woonkosten verschuldigd zijn. 6.. Er wordt een toeslag van 10% toegekend als er een woning wordt bewoond waarvoor gedeeltelijke woonkosten verschuldigd zijn. 7.. Voor de toepassing van dit artikel worden: gehuwden aangemerkt als één inwonende; de verzorgingsbehoevende die door belanghebbende wordt verzorgd niet aangemerkt als een persoon met wie kosten kunnen worden gedeeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel