Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18 tweede lid WWB, anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 7 van deze verordening, wordt een maatregel opgelegd volgens de in het tweede lid genoemde systematiek..
De maatregel wordt vastgesteld op een verlaging van:
10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 500,-.
40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingbedrag vanaf € 500,- tot € 1.000,-.
100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000 tot € 5.000,-.
Indien het benadelingsbedrag hoger is dan € 5.000,- dan wordt de maatregel vastgesteldop een verlaging van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand en aansluitend gedurende twee maanden een verlaging van 20% van de bijstandsnorm.
Is het benadelingsbedrag hoger dan € 7.500 dan wordt de maatregel vastgesteld op een verlaging van 100% gedurende één maand en aansluitend gedurende vier maanden een verlaging van 20% van de bijstandsnorm.
Is het benadelingbedrag hoger dan € 10.000 dan wordt de maatregel vastgesteld op een verlaging van 100% gedurende één maand en aansluitend gedurende elf maanden een verlaging van 20% van de bijstandsnorm.
Hoofdstuk 3.
Artikel 10.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmings- en robuuste incassoverordening WWB, IOAW IOAZ