Het verbod zoals bedoeld in artikel 2, is niet van toepassing wanneer aan de volgende regels wordt voldaan:
de opslag wordt ten minste 4 weken voor de aanvoer van de vaste mest schriftelijk gemeld (bij de DCMR) door middel van een hiervoor vastgesteld formulier, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd;
er wordt een afstand van minimaal 250 meter in acht genomen, tot de grenzen van gronden die zijn aangewezen als beschermd natuurmonument of als staatsmonument, alsmede voor verzuring gevoelige gebied waarop de Wet ammoniak en veehouderij van toepassing is;
wanneer enige mate van overlast optreedt, worden direct doeltreffende maatregelen getroffen om de overlast te beëindigen;
het verwijderen van de vaste mest gebeurt op zodanige wijze dat hierdoor geen hinder voor de omgeving dan wel verontreiniging van bodem of oppervlaktewater ontstaat. Een ontstane verontreiniging wordt direct opgeruimd;
de hoeveelheid opgeslagen mest(stoffen) is niet groter dan 600m³;
de tijdelijke opslag van vaste mest vindt plaats boven een absorberende laag met een dikte van ten minste 15 cm. en een organische stof gehalte van ten minste 25%;
het opslaan van vaste mest kleiner dan 10m³, voor een periode langer dan 6 maanden gebeurt op een mestdichte betonnen ondergrond, voorzien van opstaande randen en een mestdichte afvoer naar een mestdichte opslagruimte, of een gelijkwaardige voorziening.
pluimvee- en nertsenmest wordt binnen 24 uur na de eerste aanvoer voorzien van een 15cm. dikke afdeklaag van compost of aarde;
bij de opslag van pluimvee- en/of rundveemest wordt een afstand van minimaal 250 meter aangehouden tot bedrijfsmatig gevoerde pluimvee- of rundveehouderijen
contact met hemelwater wordt zoveel mogelijk voorkomen;
vaste mest wordt maximaal één keer in de 4 jaar op dezelfde plaats opgeslagen. Ten opzichte van de opslaglocatie in het voorgaande jaar wordt een afstand van ten minste 50 meter in acht genomen;
er wordt een afstand van 50 meter in acht genomen tussen opslagen onderling;
de opslag van vaste mest gebeurt op een afstand van ten minste:
100 meter van een woning van derden of een ander gevoelig object binnen de bebouwde kom;
50 meter van een woning van derden of een ander gevoelig object buiten de bebouwde kom;
5 meter van de erfgrens;
5 meter van de insteek van het oppervlaktewater.