Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 14.

Termijnen particuliere graven

Onderdeel van Beheersverordening begraafplaatsen 2014

Het college verleent, voor zover de daartoe bestemde ruimte van de begraafplaats(en) dat toelaat, op een daartoe bij hen schriftelijk in te dienen aanvraag, voor de tijd van tien, twintig of dertig jaar recht op een particulier graf. De termijn begint te lopen op de datum waarop het particuliere graf is uitgegeven; Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht wordt op aanvraag van de rechthebbende verlengd telkens met een termijn van vijf, tien, vijftien of twintig jaar, mits de aanvraag voor het verstrijken van de lopende termijn wordt ingediend; Het college benadert de rechthebbende wiens adres bij hen bekend is drie maanden voor het verstrijken van de lopende termijn per brief met het verzoek kenbaar te maken of het grafrecht voor een periode zoals opgenomen in lid twee van dit artikel dient te worden verlengd. Indien de rechthebbende niet heeft gereageerd ontvangt deze twee maanden voor het verstrijken van de lopende termijn een herinneringsbrief en een maand voor het verlopen van de termijn wordt aan de rechthebbende in een aangetekende brief kenbaar gemaakt dat na het verstrijken van de lopende termijn de grafbedekking wordt verwijderd indien de lopende termijn niet wordt verlengd. Gelijktijdig met het versturen van de aangetekende brief wordt op het graf middels een plaatje bekend gemaakt dat indien niet binnen twee maanden na de datum waarop de grafrechten verlopen, om verlenging van het recht is verzocht, de grafbedekking kan worden verwijderd. Bestaande graven met een uitsluitend recht, die voorheen zijn uitgegeven voor onbepaalde tijd, komen alleen te vervallen wanneer de begraafplaats gesloten wordt verklaard; Het in lid 1 van dit artikel bedoelde uitsluitend recht wordt door of namens het college schriftelijk bevestigd door middel van een besluit. De aan het in lid 5 van dit artikel genoemde besluit verbonden kosten zijn opgenomen in de: ‘Verordening op de heffing en de invordering van rechten voor het gebruik van de algemene begraafplaatsen’.

Rechtspraak bij dit artikel