1.Indien een belanghebbende tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid aan de dag heeft gelegd door voorafgaande aan de aanvraag om bijstandsverlening, dan wel ten tijde van de bijstandsverlening; a. het meer dan bescheiden vermogen op een onverantwoorde wijze
ingeteerd heeft, of
door eigen toedoen zijn recht op een voorliggende voorziening
heeft verspeeld dan verlaagt het college de uitkering .
De in het eerste lid bedoelde verlaging wordt voor overtredingen
genoemd onder a. vastgesteld op twintig procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor de duur van het aantal maanden dat geen beroep op een uitkering nodig zou zijn geweest indien wel op een verantwoorde wijze zou zijn ingeteerd op het meer dan bescheiden vrij te laten vermogen, met een maximum van 36 maanden.
3.Indien een belanghebbende door eigen toedoen een voorliggende
voorziening, anders dan meer dan bescheiden vermogen en algemeen geaccepteerde arbeid, niet heeft behouden dan verlaagt het college de bijstand met 100 procent gedurende 1 maand.
4.Indien een belanghebbende door eigen toedoen algemeen
4. geaccepteerde arbeid niet heeft behouden dan verlaagt het college de
4. bijstand met 100 procent gedurende 1 maand.
HOOFDSTUK 3
Artikel 10
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingverordening 2014