De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de norm met 20 procent voor de duur van één maand:
het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden;
het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in verband met:
de arbeidsinschakeling,
het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak voor
zover het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar,
de aan de ontheffing verbonden re-integratie verplichtingen op
grond van artikel 9a WWB.
het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, dan wel aan een
onderzoek naar de geschiktheid tot scholing of opleiding.
het in onvoldoende mate nakomen van een of meerdere opgelegde verplichtingen zoals bedoeld in artikel 55 en 57 WWB.
Het indienen van een aanvraag voor algemene bijstand gedurende de
termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de wet.
Indien de schending van de verplichting tot arbeidsinschakeling ook een schending van de verplichting, zoals bedoeld in artikel 25 lid 4 van de Wet Inburgering (geldende op 31 december 2012) inhoudt, verlaagt het college de bijstand.