Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5.

Artikel 4

Toeslagen

Onderdeel van Toeslagenverordening 2013

Op grond van artikel 30, tweede lid, WWB is de gemeenteraad verplicht om te bepalen dat de toeslag van de gehuwdennorm een maximum bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of toeslag op andere gronden). Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder is de wetgever namelijk uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is, wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag zoals in lid 1 van deze verordening staat vermeldt. In lid 2 is vastgelegd dat ingeval in de woning één of meer anderen zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. In de model-toeslagenverordening WWB is als uitgangspunt gekozen voor de zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen van de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend zijn voor de hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van kosten mogelijk is. De meeste gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat deze de meest efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het minst fraudegevoelig is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één of meerdere anderen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Dit staat in lid 2 verwoord. In lid 3 wordt beschreven dat ingeval een alleenstaande of alleenstaande ouder een woning deelt met een eigen ouder een lagere toeslag – in dit geval 5% - wordt toegekend dan een alleenstaande (ouder) die een woning deelt met een willekeurige ander. Het betreft hier feitelijk alleenstaande of een alleenstaande ouder die hun hoofdverblijf hebben bij (één van de) eigen ouders. In dat geval mag aangenomen worden dat de mogelijkheid om bestaanskosten te delen in het algemeen groter zal zijn dan in andere gevallen (zie ook CRvB 2 maart 1999, JABW 1999/61 en 69). In een aantal situaties is weliswaar sprake van woningdeling, maar wordt toch geen lagere toeslag toegekend. Dit staat omschreven in lid 4.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel