De uitkering in het kader van de WWB dient voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen maken daar deel van uit. Indien betrokkene geen woonlasten heeft, wordt de uitkering verlaagd. Dit kan zich voordoen bij krakers of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijvoorbeeld de ouders. Er is gekozen voor een korting van 20% omdat dit bedrag overeen komt met de minimale woonlasten welke verondersteld worden in de norm te zijn begrepen. Dit staat als zodanig omschreven in artikel 27 WWB.
Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de betrokkene een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs 99/7 en 99/29 NABW).
Wordt bijvoorbeeld de norm of toeslag verlaagd omdat de betrokkene geen woonlasten heeft en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van de uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan beperkt moeten worden.
Het kan ook voorkomen dat als de betrokkene geen woning bewoont. De bepaling in het tweede lid ziet evenals de voorgaande alinea op de mogelijkheid om bijvoorbeeld de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere bestaanskosten hebben dan betrokkenen die een woning bewonen. Mochten dak- en thuislozen regelmatig gebruik maken van een opvangadres, dan kan de uitkering afwijkend worden vastgesteld, met toepassing van artikel 30, vierde lid, WWB bij wijze van individualisering.