Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3.

Artikel 4.

Toeslagen alleenstaande (ouder)

Onderdeel van Toeslagenverordening 2013

1.. De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 2.. De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder die met één of meerdere anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. 3.. De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 5% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder die met één of beide ouders in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. 4.. De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt eveneens 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder indien: er uitsluitend sprake is van een zorgbehoevende medebewoner, waarbij als gevolg van die medebewoning beroepsmatige verzorging volledig of in belangrijke mate achterwege blijft; er uitsluitend sprake is van één of meerdere thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000; Voor uitvoering van artikel 4, lid 4 sub b wordt inkomen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 zelf niet gezien als in aanmerking te nemen inkomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel