Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in artikel 3:1:1:20 en 3:1:1:21, een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en wethouders een aflopende toelage toegekend indien:
die blijvende verlaging minimaal 2% bedraagt van de som van het salaris en de toelage, als bedoeld in artikel 3:1:1:15 en
de ambtenaar de toelage, als bedoeld in artikelen 3:1:1:20 en 3:1:1:21, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 60 jaar of ouder wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in artikelen 3:1:1:20 en 3:1:1:21, een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, indien de ambtenaar de toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan gedurende ten minste 5 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt en hij onmiddellijk voor de aanvang van die toelage gedurende ten minste 5 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage, als bedoeld in artikelen 3:1:1:20 en 3:1:1:21, heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
Aan belanghebbende, bedoeld in lid 1, wordt indien lid 2 niet op hem van toepassing is, een uitkering toegekend gedurende een tijdvak gelijk aan een zesde deel van de tijd, gedurende welke hij met onregelmatige dienst c.q. bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdienst belast is geweest;
De duur van de volgens het bepaalde onder a berekende uitkering wordt op een volle maand naar boven afgerond;
De duur van de uitkering is niet langer dan drie jaren.
De uitkering bedraagt gedurende de eerste 12 maanden 100%, gedurende de daarop volgende 12 maanden 75%, gedurende de daarop volgende 12 maanden 50% en vervolgens 12 maanden 25% van de hem laatstelijk uitbetaalde vergoeding als bedoeld in de artikelen 3:1:1:20 en 3:1:1:21.
Indien om redenen van dienstbelang de frequentie van de onregelmatige dienst of de bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdienst is lid 5 van overeenkomstige toepassing op het verschil in vergoeding.